De PNI-methode ontrafeld: gedrag, gezondheid en genetica

©S4NH

 

Vroeger dacht men dat ziekten vooral genetisch bepaald werden. Maar bij de ontrafeling van het genoom kwam de verrassing: het humane genoom bleek nog niet half zoveel genen te omvatten als een maïsplant…  De medische wetenschap heeft zich veel te veel gefocust op genen. Ondertussen is gebleken dat genen wel te maken hebben met ziektegevoeligheid, maar in slechts 0,2 à 2% van de gevallen echt oorzaak zijn van ziekte. Epigenetica daarentegen is veel belangrijker dan eerst verondersteld.

Epigenetica is het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genfunctie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern.

Father absence

Een spectaculair voorbeeld houdt verband met ‘father absence’, de afwezigheid van de vader in een gezin (1). Het aantal gezinnen zonder aanwezige vader is enorm toegenomen en uit onderzoek blijkt dat vaderloos zijn een enorme impact heeft op de fysische en psychische gezondheid, én op het gedrag van de kinderen. Een groot onderzoek in de VS concludeerde dat de afwezige vader de ‘Hundred Billion dollar Man” is, want zoveel kost het ‘father absence syndrome’ jaarlijks aan de gemeenschap. Andere onderzoeken stelden dat fysisch contact tussen vader en kind ervoor zorgt dat het kind fysisch steeds meer op de vader gaat lijken, zélfs als deze niet de biologische vader is.

Uiteindelijk blijken vooral epigenetische invloeden samen met antropogene (door de mens gecreërde) en omgevingsfactoren invloed te hebben op het ontstaan van ziekten. Deze ontwikkelen zich in de loop van decennia, maar onze huidige proximate geneeskunde begint pas naar de symptomen (de foto) te kijken als de patiënt al ziek is. De PNI kijkt naar de hele film, en die begint zelfs lang vóór de geboorte.

Zo is de voeding van (groot)moeder, maar ook van de vader een belangrijke factor voor de latere gezondheid. Maar evenals vele omgevingsinvloeden kunnen we daar niets (meer) aan veranderen.

Ziekteontwikkeling

De recent in de evolutie massaal gewijzigde antropogene factoren leiden naar ontsteking: low grade inflammation (LGI of ‘laaggradige ontsteking’), en deze ligt aan de basis van zowat alle chronische ziektebeelden (2). Maar waarom krijgt de ene er artritis van, en een ander diabetes, een autoimmuunziekte of kanker?

Een groot aantal risicofactoren zijn al in kaart gebracht, b.v. roken en luchtvervuiling vormen een risicofactor voor  astma en COPD (chronic obstructive pulmonary disease). Maar toch krijgt niet iedereen COPD, en ook mensen zonder deze risicofactoren kunnen COPD ontwikkelen. In de PNI is een andere zware risicofactor voor COPD geïdentificeerd: aardappelen. Aardappelen bevatten jaconine dat langzaam stapelt in de longen. Op lange termijn (decennia) remt het daar het enzym acetylcholinesterase. Hierdoor stijgt de hoeveelheid acetylcholine in de longen, en deze is bronchoconstrictief. Na enkele decennia aardappelen eten, ontstaat dan COPD…

Een andere hamvraag is: waarom kan iedereen laaggradige ontsteking krijgen? Als dat zo is, dan moet er toch ergens een evolutionair voordeel achter zitten, anders was het al lang weggeselecteerd. De verklaring: de hoge inflammatiegevoeligheid die de mens kenmerkt was vroeger allicht zijn beste bescherming tegen infecties en sepsis. De capaciteit om inflammatie lang vol te houden kocht ons oplos-tijd, en gaf dus een hogere kans op overleving. We gaan dus minder snel dood, maar de prijs die we nu wel betalen is chronische ziekte: LGI is de oorzaak van de oorzaak van de oorzaak.

Alle risicofactoren kunnen leiden tot LGI en beletten genezing. Het is dus belangrijk voor de hedendaagse mens om de ‘rugzak’ met alle risicofactoren leeg te maken, dus al deze oorzaken op te lossen, fysische en psychische, maar ook transgenerationele, om tot een oplossing te komen.

Van bekende stressfactoren (kou, warmte, honger en dorst,…) krijg je niets, daarvoor hebben de hersenen al lang oplossingsprogramma’s. Voor chronische en onbekende stressfactoren, zoals psychische stress, roken, en vooral zitten, zijn er echter geen oplosprogramma’s. Dus blijven die vaak onopgelost en veroorzaken ze LGI. Vooral ook omdat iedere stressreactie onze barrières opent; en gezien ook deze geen goede verdediging meer hebben, leidt dit tot endotoxemie, en nog meer inflammatie…

Het is ook belangrijk rekening te houden met de interactie tussen de hersenen en het immuunsysteem. In 1985 publiceerde Spiegel (Harvard) zijn eerste onderzoek waarin hij aantoonde dat vrouwen met borstkanker 19 maanden langer overleefden als ze een levensdoel kregen. Hij werd weggehoond, ontslagen, kreeg een Nobelprijs en ging verder met zijn werk in Cambridge. Hij was de grondlegger van de inzichten in de interactie tussen hersenen en immuunsysteem: je kan beiden niet scheiden. En perifere LGI zal onvermijdelijk ook LGI in de hersenen induceren.

Klinische PNI is zo pretentieus dat de wetenschappelijke achtergrond 100% wetenschappelijk onderbouwd moet zijn. kPNI is de wetenschap van alle systemen, maar ook van de ‘environment’, de omgeving waarin we leven. Alles werkt samen en beïnvloedt elkaar.
En PNI kijkt eigenlijk naar alles; en alle therapieën zijn aanvaardbaar, ook farmacologische, als ze maar compatibel zijn met het beeld van de ‘film’ en ‘de interactie tussen de assen’. Je kan PNI beschouwen als de ‘neuroendocrinologie van gedrag en gezondheid’.

Eenzaamheid en ziekte

Zo is er een belangrijke ‘ziekmakende’ factor waarmee in de proximate geneeskunde nauwelijks rekening gehouden wordt: de neurologie van de eenzaamheid (3). Er is een totaal verschillende activatie in vergelijking met ‘sociale verbinding’, met een rijk sociaal leven. En ook dit heeft een evolutionair perspectief:

Met de verhoging van de bevolkingsdichtheid verhoogde het risico op virale infecties. Maar iemand die alleen was, ‘eenzaam’, had evolutionair minder risico op virusinfecties, maar wél meer kans op wonden en bacteriële infecties. Hij ontwikkelde dus een immuunprofiel voor betere wondheling en bescherming tegen bacteriële infecties. Maar hierdoor had/heeft hij wel een slechtere afweer tegen virussen, en tegen kanker (betere wondheling=snellere celdeling).

De hersenen maken geen onderscheid. Op eenzaamheid reageren ze net als in de oertijd, met een ander immunologisch en neurologisch profiel. Dit leidt o.a. ook tot een hogere sympatische activatie van het immuunsysteem, en met meer adrenerge activiteit, en lagere cortisolgevoeligheid. Adrenaline is pro-inflammatoir, cortisol anti-inflammatoir. Dus, waar dit in de oertijd zorgde voor een betere bescherming, leidt dit nu tot chronische ziekten. Eenzame mensen hebben een 34% hoger risico op LGI. Het is belangrijk om dit mee te nemen in de differentiaaldiagnose.

Essentieel is ook de synchronisatie van de twee neuroimmunologische assen: de stress-sympaticus-reactie (adrenaline) en hypothalamusrespons-HPA-as (die de bijnier aanzet tot productie van cortisol). Beide worden altijd synchroon geactiveerd, beide ritmes lopen dus gelijk, en ze horen samen te werken; waarbij cortisol zorgt voor het tijdig uitzetten van de ontstekingsreactie. Zolang beide synchroon werken blijf je gezond, tot op hoge leeftijd. Maar bij chronische zieken zijn de assen gedesynchroniseerd: vlakke curves, of curves die uit elkaar lopen. Het wegvallen van de synchronisatie gaat vooraf aan, en merkt het ogenblik van het ziek worden.
Een heleboel factoren zijn verantwoordelijk voor de verstoring van de stressassen, en deze worden evenmin meegerekend in de diagnostische criteria. Chronische inflammatie is er een van. Verstoring van het bioritme een andere: ook de stresassen volgen een dag-nachtcurve. Maar beide worden verschillend gestuurd: de neurologische prikkel die de sympaticus-adrenaline-as stuurt adapteert snel; cortisol daarentegen wordt gereguleerd via een receptorprikkel en reageert zeer traag. Dit kan beide assen desynchroniseren, met hoog adrenaline, maar laag cortisol, en dus… LGI.

En de meest toxische inducerende factor voor LGI blijkt zitten te zijn, de ‘zittijd’. Voor zitten hebben we geen programma, en beweging kan hiervoor niet compenseren.
En als je eenmaal chronische LGI hebt, riskeer je tenslotte in een ‘frozen state’ te belanden: wat deze mensen ook doen, ze kunnen er niet meer uit komen. En dit kan niet opgelost worden met een ‘pilletje’. De enige oplossing is: de acute stressystemen activeren om de assen te resynchroniseren. En hiervoor lijkt koude een zeer efficiënt systeem te zijn. Zodra de assen weer synchroon werken, word je vanzelf weer gezond.

En zo zijn er een hele reeks factoren en interventies die kunnen helpen om de weg terug te gaan in de chronologie van de film en zo flexibiliteit en gezondheid terug te winnen.

Volgens PNI leven lijkt moeilijk, maar eigenlijk is het heel eenvoudig.

De kennis in dit artikel is een toepassing van de theoretische achtergrond uit de cursussen, Orthomoleculaire Voedingsleer, Orthomoleculaire Gezondheidsleer en Evolutionaire Gezondheidsleer. Deze cursussen maken deel uit van de opleiding tot Orthomoleculair Therapeut volgens de kPNI, die gevolgd wordt door verschillende therapeuten, medici en gezondheidscoaches in België. 
Klik hier voor meer informatie over deze kPNI-opleidingen: http://www.kpnibelgium.com/kpni-opleidingen-en-events/

Referenties:

  1. Nock. National Fatherhood Initiative | http://www.fatherhood.org | The Costs of Father Absence. 2008
    2. Capuron. Frontiers in Endocrinology | Neuroendocrine Science May2014|Volume5|Article 74
    3. Eisenberger. nature neuroscience VOLUME 15 | NUMBER 5 | MAY 2012

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s